Afbeelding verleden: De Blaricumse molen

Kevin Westerveld 07-06-2015

Afbeelding verleden: De Blaricumse molen

 

Blaricum heeft sinds het begin van de 16e eeuw een molen gehad. De molen kent een rijke geschiedenis tot zijn afbraak zo’n 85 jaar geleden.

De eerste afbeelding van de Blaricumse molen op een landkaart dateert uit 1537. Vermoedelijk is de molen omstreeks 1530 gebouwd. De molen was een korenmolen (molentype standerdmolen) en heeft in de loop der eeuwen vele eigenaren gekend. In het jaar 1873 werd de oude "pinmolen" (zoals de standerdmolen in de Blaricumse volksmond vaak werd  genoemd) afgebroken. De geschiedenis van de Blaricumse molen was daarmee niet ten einde.

Op de plaats van de oude molen werd opnieuw een molen opgericht. Deze molen kwam uit Baarn en is in korte tijd in verschillende handen overgegaan. In 1873 verkocht de toenmalige molenaar Jacob Versteeg de molen wegens slechte gezondheid en het gebrek aan een opvolger. De koper was Taack Takranen, die de onderdelen weer doorverkocht. De molen werd gedemonteerd en overgebracht naar Blaricum. Daar werd de zeskante molen als grondzeiler opgebouwd. Zo verrees op dezelfde plek waar eens een standerdmolen stond voor de tweede keer een korenmolen.

Willem Puijk en zijn broer Jan bemaalden de molen. Jan en Lambert, de 2 zonen van zus Marritje, hielpen ook mee in het bedrijf. Zij waren beiden ook molenaar geworden van beroep. Ze woonden met hun kinderen in de boerderij naast de molen. De molen bleef tot 1921 in bedrijf. De laatste eigenaar/molenaar was Willem Puijk die op 9 oktober 1922 overleed op 87 jarige leeftijd. Op de foto hierboven is de molen met links Jan Puykl te zien, de broer van molenaar Willem.

In 1923 veranderde de molen van eigenaar. Twee uit het buitenland afkomstige dames, de gezusters De Virieu Fürstner werden de nieuw eigenaressen. Zij kochten de molen voor een bedrag van ƒ 4.500,­- van de laatste molenaar van deze molen, Jan Puyk. De dames wilden in de molen gaan wonen. Nadat zij een vergunning hadden ingediend om de molen te mogen verbouwen, waren ze alvast begonnen met de sloop van het gaande werk. Er waren al stukken rietdek verwijderd om er grotere ramen in te plaatsen. Het verzoek werd echter afgewezen. In het jaar 1923, het jaar dat De Vereeniging De Hollandsche Molen was opgericht, was juist het verzoek aan alle Nederlandse gemeenten verzonden, om alle molens zoveel mogelijk te behouden. Er werd voor de molen geen vergunning afgegeven om hem tot woonmolen te verbouwen. De molen met bijbehorende grond werd terug verkocht aan de gemeente. Burgemeester Klaarenbeek (ambtsperiode 1922-­1946) wilde de gemeente ertoe bewegen om de molen in eigendom te verkrijgen en tevens dat zij de herstelwerkzaamheden voor haar rekening nam. Volgens berekening van de molenbouwer Wijnveen uit Voorthuizen, welke berekening was gecontroleerd door de deskundige Dekker uit Hazerswoude, zou de restauratie (met gebruik van tweedehands onderdelen) ƒ 4950 kosten.

Kandidaat-huurder voor de herstelde molen was Lambert Vos, die hem voor ƒ 260 per jaar wilde huren voor de tijd van 10 jaar. Het door de gemeente te fourneren bedrag van ƒ 5500 kon zij lenen tegen 5 %, dat is ƒ 275 per jaar. Dat was dus op zich wel haalbaar, maar jaarlijks onderhoud en de afschrijving op de lening werden niet genoemd. Aangezien de raad zich met dit voorstel overvallen voelde en het oneens was met de handelwijze van de burgemeester in het algemeen, werd het voorstel met een verpletterende meerderheid afgewezen.

In juli 1925 werd er nog onder de bevolking gecollecteerd voor het behoud van de molen. Het verval trad snel in. De vervallen molen werd regelmatig door zwervers als slaapplaats gebruikt, wat mogelijk brandgevaar kon opleveren wanneer zij er een vuurtje stookten. Pogingen van de burgemeester om m.b.v. de vereniging “De Hollandsche Molen” en de vereniging “Blaricums Belang”  de molen te redden strandden. De gemeente besloot in april 1928 daarom de molen te laten slopen door aannemer Gerard Jacobs.

Blaricum Vroeger en Nu

Lat: 52,2943893897924
Long: 5,28789058327675